Levenswijze van de kartuizersOm de levenswijze van de kartuizers te begrijpen, is het belangrijk terug te grijpen naar de wortels van het christendom in het Midden Oosten, in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Daar speelden de oude verhalen van de eerste christenen zich af, waarin duizenden mannen en vrouwen huizen en dorpen verlieten, niet enkel omdat ze onderdrukt en vervolgd werden, maar ook om de bijbelse voorbeelden van Abraham, Mozes en Johannes de Doper te volgen, om desnoods als martelaren te sterven, en (letterlijk én figuurlijk) de woestijn in te trekken. Een aantal van de vroege christenen, die zich als kluizenaars terugtrokken in de woestijn van Egypte en Palestina en hun leven geheel aan de geest te wijden, zijn gekend als de woestijnvaders. Vele woestijnvaders beoefenden een gebed zonder woorden, contempleerden God in stilte en eenzaamheid. Uit hun geschriften blijkt een bijzondere mystieke spiritualiteit. Op elk ogenblik van de dag, wat hij ook doet, steeds heeft de monnik het oude ideaal van de woestijnvaders, voor ogen, dat in de kartuizertraditie is opgenomen. Dat leven lijkt erg monotoon en nochtans zeggen de vernieuwde statuten in navolging van de heilige Bruno: "Welke rust, welke goddelijke vreugde brengen de eenzaamheid en de stilte van de woestijn niet aan hen die ervan houden! Dat weten alleen zij die er de ervaring van hebben opgedaan". Negen eeuwen lang hebben de kartuizers niet opgehouden diezelfde mening te verkondigen. Het contemplatieve leven van de kartuizers Hoe meer een leven op het geestelijke afgestemd is en elke praktische beslommering opzij laat om zich alleen op het geloof te richten, des te moeilijker is het er een beschrijving van te geven die echt toelaat deze vorm van buitenuit te begrijpen. Een auteur schreef eens over de kartuizermonniken: "Iedereen kent in zijn leven wel eens een cruciaal moment, een kritisch tijdstip waar je je realiseert dat je iets groter dan jezelf meemaakt, iets wat je overstijgt, een moment van waarheid. Zulke momenten komen opzetten bij een groot gevaar, de dood van een geliefde, of bij het aanschouwen van een prachtig kunstwerk, het beluisteren van een symfonie, door naar de sterren te kijken, of in gebed. Als we er nu in zouden slagen om die momenten vast te houden, te overpeinzen, te contempleren, dan worden die momenten uren, uren dagen, en dagen misschien zelfs jaren. Dat kan voor de gemiddelde man of vrouw moeilijk lijken, maar er zijn mannen en vrouwen geweest, en er zijn er nog steeds, die hun bestaan hebben omgezet in ganse momenten van waarheid." Een kartuizer schreef over het contemplatieve leven: "De contemplatie is de daad van de ziel die zichzelf vergeet, die onbeweeglijk staat voor iets dat veel breder en groter is dan zijzelf". Volgens de vernieuwde statuten van de orde hebben werk en leven van de kartuizer tot doel "God zelf steeds vuriger te zoeken in de inwendige mens, Hem vlugger te vinden en Hem op een steeds volmaakter wijze te bezitten". Dit leven wordt geregeld door het luiden van de klokken dat de dag, naar gelang van de liturgische feesten, ongeveer op de volgende wijze indeelt. Dagindeling van een kartuizermonnik * De kartuizermonnik staat op vóór middernacht. Nadat hij in zijn cel een gedeelte van het officie van Onze-Lieve-Vrouw gebeden heeft, gaat hij naar de kerk voor het gezamenlijke nachtofficie: metten en lauden, d.w.z. hymnen en psalmen, lezingen uit de bijbel en teksten van de kerkvaders, dit alles gezongen in een oud, ruig Gregoriaans, behalve de lezingen, die in de volkstaal gebeuren. Dit officie duurt twee à drie uren; sommige kartuizers raken nooit gewend aan de verstoring van de nacht, maar de meesten vinden het nachtofficie één van de mooiste aspecten aan het kartuizerleven. Hoe wordt men kartuizer? Ongeveer 80% van de mensen die zich aanbieden als "novicen" bij de orde zal uiteindelijk geen kartuizer worden. De duur van de periode als novice is lang: terwijl in de meeste ordes men rekent in orde van maanden, kan het bij de kartuizers meer dan 7 jaar duren. Voor een koormonnik: Het leven in gemeenschap Bij de kartuizers probeert men een evenwicht te bereiken tussen eremitisme (leven in eenzaamheid) en cenobitisme (leven in gemeenschap). De zeer sober gehouden liturgie is de bron en het centrum van het gemeenschapsaspect in het kartuizerleven. Driemaal per dag komen de monniken samen in de kerk; 's zondags zingen ze er ook de andere kleine officies. Dagelijks wijdt de monnik vijf à zes uren aan het liturgisch gebed. De lectio divina, het lezen van geestelijke teksten, neemt ook bij de kartuizers een grote plaats in. De bibliotheek van een kartuis heeft dan ook een belangrijke functie. De lectuur heeft op de eerste plaats de bedoeling "wijze" mensen te vormen en niet zozeer erudieten of geleerden. Een kartuizermonnik staat vaak onder grote psychologische druk. Daarom zijn er momenten van ontspanning voorzien, dagelijks bij de handenarbeid, 's zondags tijdens een korte recreatie na het gezamenlijk middagmaal en de maandagnamiddag tijdens een grote wandeling, het spatiamentum, waaraan allen deelnemen. Deze momenten van ontspanning blijven natuurlijk in de lijn van de gekozen roeping: geen "nutteloze" gesprekken, geen "nutteloze" bezoekjes. Het evenwicht van een kartuizerleven bestaat dus uit gebed, studie, werk en ontspanning. Ascetisch leven Het monastieke leven is van oudsher gekenmerkt door een strenge ascese, d.i. een geheel van vrijwillig opgenomen verstervingen. De belangrijkste elementen van deze ascese zijn het onderbreken van de nachtrust en de eenzaamheid. De kartuizers eten geen vlees, en daarnaast is er ook het vasten. Advent en Veertigdagentijd bewaren in de kartuizerkloosters hun boete-aspect. Elke vrijdag is er ook een strenge vasten: meestal eten de monniken dan alleen brood en een beetje zout en drinken ze slechts water. Wel wordt er rekening gehouden met de constitutie van het individu bij het bepalen van deze praktijken. Handenarbeid in de kartuizen voorziet in de behoeften van het klooster, maar speelt nog een andere rol: zorgen voor ascese en evenwicht. Contemplatie alleen zou immers veel te veel vergen van de psyche. Maar gezamenlijke arbeid buiten de cel zou de zo begeerde eenzaamheid in de weg staan, en daarom wordt er gezocht naar een soort werk dat in de cel kan gedaan worden. Vroeger was dat het kopiëren van handschriften, nu zijn het allerlei ambachtelijke werken, zoals het vervaardigen van iconen, het boekbinden en het beeldhouwen. Meer intellectueel gerichte monniken mogen geestesarbeid verrichten, maar zoeken best geen echte eruditie of wetenschappelijk werk, omdat de eenzaamheid ze belet opzoekingen buiten hun klooster te doen. De broeders werken in de smidse of in de bakkerij, of verrichten timmer- of metselwerk; dit alles gebeurt in functie van de levensbehoeften van het convent. Zo kan het klooster onafhankelijk van de wereld leven – nu echter minder dan vroeger, toen elke priorij, elke abdij in feite in een gesloten economisch systeem leefde. |
Nieuws
|


