In memoriam em. prof. dr. James Hogg (Birmingham 10/3/1931 – Seeham 18/11/2018)

Dr. James Hogg, wiens voorouders Schotten waren, werd geboren uit een anglicaanse moeder en een agnostische vader. Na de middelbare school en een legerdienst die ongelukkig verliep omdat hij zich moeilijk kon onderwerpen aan de bevelen van zijn oversten, startte hij rond 1950 in London en Cambridge historische studies, waarin vooral de geschiedenis van de monastieke orden hem boeide. Hieruit volgde zijn bekering tot het katholieke geloof en enkele vrijwillige contacten met de benedictijnen te Prinknash (Gloucestershire) en van de Quarr Abbey (Isle of Wight), alsook met de trappisten te Nunraw (Schotland). Het viel hem op dat deze monniken niet zozeer geëngageerd waren in academisch werk. In 1960 verwierf hij voor een jaar een studiebeurs aan de universiteit van Fribourg. Hier begon hij te werken aan een thesis over de geschiedenis van de Kartuizerorde in de middeleeuwen.

In 1961 bracht hij twee maanden door in de strenge trappistenabdij van Tamié (Savoie). Zijn roeping zou hier wellicht vorm hebben gekregen, had hij er niet vernomen dat een eenzame kartuizer in de vervallen kartuis van Portes alleen leefde in afwachting van de restauratie van zijn klooster. James Hogg ging hem daar opzoeken en ontmoette er Dom Emmanuel Cluzet († 1993), oud subprocurator van de Grande Chartreuse, die een grote belangstelling had voor de liturgie, niet rechtstreeks zijn favoriete onderzoeksdomein. Blijkbaar was hij op zoek naar een kartuis die de geschiedenis van de Kartuizerorde meer in de kijker stelde. Sélignac voldeed in deze aan zijn wens. Hier werd hij zelfs uitgenodigd om in te treden, maar hij verkoos zijn dissertatie af te maken alvorens zich met het kartuizerhabijt te kleden. Hij woonde er in een cel van het grote claustrum . Toen hij vaststelde dat de voltooiing van zijn thesis langer dan gepland zou duren, stopte hij er onverhoeds mee. Hij verbrandde al zijn aantekeningen in de kachel van zijn cel en trad in de Orde als een postulant. In zijn ascetische ijver verwijderde hij de kachel en leefde gedurende vier jaar in een extreme koude, zelfs ten koste van zijn eigen lichaamsverzorging. Herhaaldelijk werd zijn radicale levenswijze door de prior afgekeurd. Bovendien leefde hij in het noviciaat op gespannen voet met zijn novicemeester, die zijn zin voor humor niet smaakte en van wie hij de ideeën meestal onaanvaardbaar vond.

Na een visitatie van het noviciaat om de toestand te regulariseren, werd hij in november 1965 als hospes met tijdelijke geloften, die hij in juni 1964 had afgelegd, overgeplaatst naar de kartuis van Farneta. In dit klooster wendde zijn situatie voor een tijdje in gunstige zin, ook al moest hij er zich tevreden stellen met een minder streng regime. Niettemin werd hij zwaar ziek door een reumatische aandoening van spieren en gewrichten ten gevolge van het vochtige klimaat en werd hij zelfs zo ziek dat men vreesde dat hij zou overlijden. Hij moest gedurende meer dan vijf maanden het bed houden. Na een lichte ingreep in het ziekenhuis van Lucca was hij voldoende aangesterkt, zodat hij opnieuw in staat was om de kartuizerobservantie in haar volledigheid na te leven. De prior berichtte hem dat hij op 24 juni 1967, het feest van de heilige Joannes de Doper, zijn plechtige geloften zou mogen doen. De bijna blinde prior werd in mei van dat jaar door de Grande Chartreuse van zijn opdracht ontheven. Zijn opvolger echter was er niet van overtuigd dat hij de juiste ingesteldheid had, omdat zijn aandacht voor de studie van de geschiedenis van de Orde te excessief was, welke houding niet verzoenbaar was met de zuivere kartuizerroeping. Voorlopig werden zijn tijdelijke geloften verlengd. Dom André Poisson († 2005), prior van de Grande Chartreuse, wiens goedkeuring om toegelaten te worden tot de plechtige geloften noodzakelijk was, deelde deze mening, die trouwens ook werd bijgetreden door Dom Maurice Laporte († 1990) en Dom Jean-Baptiste Porion († 1987). James Hogg verzette zich tegen deze beslissing en pleitte dat zijn interpretatie van het kartuizerleven in essentie niet verschillend was van dat van andere historici onder de kartuizers, zoals Maurice Laporte. Zijn verhouding met de prior van Farneta nam zulke dramatische proporties aan, dat hij over zijn toekomst begon na te denken. Er waren slechts twee mogelijkheden: toetreden tot een andere orde, in het bijzonder deze van de Camaldulenzen, of terug in de wereld keren waarin hij sedert 1960 vóór zijn kloostertijd praktisch nooit beroepsmatig had gefunctioneerd en waarvan hij, niets wetend van wat daar allemaal gebeurde, totaal vervreemd was. Hoe zou hij hier nog een loopbaan kunnen opbouwen in de zin van zijn interesses, want hij was intussen al zevenendertig jaar geworden.

Uiteindelijk opteerde hij voor een terugkeer in de wereld. De Orde verbond zich ertoe hem financieel te steunen totdat hij zich opnieuw zou hebben gevestigd. Bij de vervaltijd van zijn plechtige geloften op 24 juni 1968 begaf hij zich, na een verblijf van drie maanden in het kartuizerklooster van Marienau, naar Salzburg. Aan de universiteit van deze stad promoveerde hij in juni 1971 summa cum laude met een dissertatie over Die ältesten Consuetudines der Kartäuser. Niettemin was zijn kennis van de Duitse taal te onvoldoende om hierin middeleeuwse geschiedenis te doceren, anderzijds waren wegens zijn leeftijd en zijn gebrek aan onderwijservaring zijn kansen te klein om benoemd te geraken aan een Engelse universiteit. Toch werd hij benoemd aan het Institute for English Literature op basis van zijn jarenlange theoretische ervaring met het wetenschappelijk werk. Om zijn aanstelling te rechtvaardigen zette hij in 1971 de reeks Salzburg Studies in English Literature op touw. Dit vergemakkelijkte oogluikend de overdracht van de reeks Analecta Cartusiana, die hij een jaar eerder privatim met academische en kartuizer steun in Berlijn had gesticht, naar het instituut in Salzburg, op voorwaarde dat hij zich zou kwijten van allerlei universitaire plichten zoals het veelvuldig corrigeren van examenpapers en het dagenlange examineren van studenten.

Zijn idee om een reeks te stichten ontstond in 1966 tijdens zijn verblijf in het kartuizerklooster van Farneta, waar de leidinggevenden zijn plan gunstig gezind waren. Maar elders in de Orde bestond er aanvankelijk enig voorbehoud, omdat men van oordeel was dat zulk een serie niet kon worden opgezet zonder de goedkeuring van de Orde. In het begin werd de reeks alleen uitgebracht binnen de Orde. Toen hij in Salzburg studeerde, verbreidde de serie zich buiten de Orde in staats- en universiteitsbibliotheken. De weifelende houding van de Grande Chartreuse tegenover het opzet werd nog in de hand gewerkt door de heruitgave op het onjuiste ogenblik van The Confessions of a Justified Sinner, een autobiografie van zijn negentiende-eeuwse naamgenoot James Hogg († 1835), een Schots dichter, novelist en essayist. Toen de prior-generaal inzag dat hij misleid werd, bood hij James Hogg zijn excuses aan en begunstigde hem met een financiële bijdrage ter ondersteunig van de Analecta. Deze geldelijke steun werd nadien jaarlijks voortgezet, ook al was men niet volledig enthousiast over zijn onderneming. In het begin verliep de afname van de reeks bevredigend, maar geleidelijk aan door de inkrimping van de bibliotheekbudgetten en door het feit dat er minder geleerden geïnteresseerd waren voor de studie van de Kartuizerorde in vergelijking met de belangstelling voor de Orde van de Cisterciënzers en Benedictijnen daalde vanaf 1980 het aantal geabonneerden. Met de steun van familiale financiële inspanningen in samenspraak met de bancaire sector, door de verkoop van een deel van de stock in 1994 aan een Amerikaanse uitgever, door de uitkering van een hoop geld in 1996 bij zijn emeritaat die de universiteit van Salzburg hem als een vreemde werknemer uitbetaalde in plaats van een jaarlijks pensioen, door de hulp van zijn co-uitgvers Alain Girard en Daniel Le Blévec, en later door de samenwerking met Sylvain Excoffon van het CERCOR (Saint-Étienne) bleef het voortbestaan van de Analecta, die al meer dan 300 banden telt, verzekerd. Door zijn aanhoudende gezondheidsproblemen ten gevolge van een hardnekkige huidkanker sedert 1997 was het niet geraadzaam om een langetermijnplanning in verband met de reeks op te zetten. Gelukkig kon hij voor de verwezenlijking van grotere projecten rekenen op de hulp van getrouwe medewerkers zoals voor de editie van de Chartae op John Clark, voor de voltooiing van het Monasticon Cartusiense op Gerhard Schlegel, en voor de uitgaven van talrijke congresakten op vele anderen. De grote geschiedenis van de Orde, die Bernard Bligny in de jaren zeventig van vorige eeuw had moeten schrijven en waartoe Hogg zich had geëngageerd, bleef slechts in beperkte mate gerealiseerd, nogmaals te wijten aan zijn wankele gezondheid, alsook aan de beroepsverplichtingen van verscheidene medewerkers die verhinderden dat gemaakte afspraken konden worden nagekomen.

Voor zijn wetenschappelijke activiteiten werd James Hogg meermaals onderscheiden. In 2006 werd hij door de voormalige Franse president Jacques Chirac verheven in de Ordre national de la Légion d'honneur. Met het overlijden van Dr. James Hogg verliest de cartusiaanse wetenschap een moedige pionier, een hooggewaardeerde auteur en uitgever van kartuizerstudies, alsook een gedreven organisator van internationale kartuizercongressen.

Bronnen:
[Hogg 2007a] [Hogg 2017c]
https://www.sn.at/wiki/James_Hogg