Gualterus Bor

De plaats van de kartuizer Wouter (Walter) Bor in de laatmiddeleeuwse overlevering van de legende van de heilige Anna verdient bijzondere aandacht. Bor, afkomstig uit Deventer, trad in bij de kartuizers van Monnikhuizen bij Arnhem, was daar ook vicaris, en overleed er op 15 oktober 1500. Hij is vooral bekend als vertaler en bewerker van een omvangrijke Middelnederlandse Annalegende die op 7 september 1499 door Peter Os van Breda te Zwolle werd gedrukt.1 De tekst is uiteindelijk een van de meest verbreide versies van de Annalegende in de Nederlanden en het Duitse taalgebied geworden.2 Zijn werkzaamheid vormt daardoor een belangrijke schakel tussen de Latijnse hagiografische productie rond Jan van Denemarken en de veel bredere volkstalige receptie van de Annadevotie omstreeks 1500.^

Aan het begin van deze overlevering staat Jan van Denemarken, een seculier priester en doctor in de theologie, werkzaam in de late 15e en vroege 16e eeuw. Albert Ampe heeft diens oeuvre uitvoerig gereconstrueerd en hem verschillende geschriften over Jezus’ familie toegeschreven. Tot deze werken rekende hij twee teksten over de heilige Anna. De eerste is de reeds in 1486 samengestelde Middelnederlandse Historie, ghetiden ende exempelen vander heyligher vrouwen sint Annen, die omstreeks 1490-1491 bij Geraert Leeu in Antwerpen in druk verscheen. Daarnaast identificeerde Ampe in een omstreeks 1496 vervaardigd Brussels handschrift een aanzienlijk uitvoeriger Latijns werk, in het handschrift aangeduid als Legenda sanctae Emerencianae, maar door Ampe op inhoudelijke gronden aangeduid als Legenda sanctae Annae of, vollediger, Legenda sanctae Emerencianae et sanctae Annae.3 De toeschrijving van deze Latijnse tekst aan Jan van Denemarken berust evenwel op Ampe’s reconstructie en is niet onomstreden; Ton Brandenbarg heeft later uitdrukkelijk twijfel geuit aan Van Denemarkens auteurschap.4 Het verdient daarom aanbeveling in een moderne beschrijving te spreken van de aan Jan van Denemarken toegeschreven Latijnse Annalegende.
Het is juist deze Latijnse tekst die voor de plaats van Wouter Bor van beslissend belang is. Van de Legenda sanctae Annae ontstonden twee onafhankelijk van elkaar vervaardigde Middelnederlandse vertalingen. Eén daarvan is anoniem en slechts onvolledig overgeleverd in een Brussels handschrift; de andere is het werk van Wouter Bor.5 Bors tekst is echter nauwelijks als een vertaling in moderne, strikt filologische zin te karakteriseren. Hoewel de druk van 1499 zelf uitdrukkelijk zegt: “Dit is altesamen overgheset wten latijn in duysch bi broeder wouter bor Catuser tot Monichusen”, blijkt uit vergelijking met de Latijnse tekst dat Bor selectief te werk ging.6 Hij verkortte en herschikte zijn voorbeeld en vulde het bovendien aan. Zijn tekst kan daarom beter als een vrije vertaling en redactionele bewerking worden beschouwd.
Juist dit onderscheid is belangrijk voor de waardering van Bor. Hij fungeert niet uitsluitend als intermediair die een Latijnse tekst toegankelijk maakt voor een Nederlandstalig publiek, maar als een auteur-redacteur die het materiaal aanpast aan een nieuwe devotionele en narratieve context. Volgens de analyse van Ampe en Brandenbarg blijft Bor, ondanks zijn vrijere werkwijze, in geest en betekenis dikwijls opmerkelijk dicht bij zijn Latijnse voorbeeld. De andere, anonieme Middelnederlandse vertaling volgt de Latijnse tekst weliswaar vollediger en letterlijker, maar Bors versie zou juist inhoudelijk en stilistisch beter aansluiten bij de bedoeling ervan.7 Vooral in het mirakelgedeelte manifesteert zich zijn zelfstandige redactionele werkzaamheid. Bor breidde de verzameling Annawonderen uit en gaf sommige verhalen een uitgesproken verhalend karakter. Brandenbarg spreekt in dit verband dan ook consequent van “Jan van Denemarken in der Bearbeitung durch Wouter Bor”.8
...

GPT-5.6 Sol, OpenAI d.d. 20.08.2026
onder bewerking van Frans Hendrickx

  • 1. Jos. M.M.M. Hermans, Zwolse boeken voor een markt zonder grenzen 1477-1523, met een Catalogus van de verschenen edities en geggevens over de bewaatd gebleven exemplaren, ’t Goy-Houten (Utrecht) 2004, 192 (nr. ZD 127).– De volledige titel luidt: “Die histori van die heilige moeder santa anna ende van haer olders daer si van geboren is ende van horen leuen ende hoer penitenci ende mirakelen mitten exempelen”.
  • 2. T. Brandenbarg, Die Verehrung der heiligen Anna in Spätmittelalter und früher Neuzeit, Göttingen 1992, in het bijzonder de gedeelten over “Jan van Denemarken in der Bearbeitung durch Wouter Bor”.
  • 3. A. Ampe, ‘Philips van Meron en Jan van Denemarken’, in: Ons geestelijk erf, 53 (1979), 240–303. Voor Ampe’s identificatie van de Latijnse tekst en de verhouding tot de overige werken van Van Denemarken. zie ook de samenvatting van het onderzoek bij f. Roolfs, Das Braunschweiger St.-Annen-Büchlein: ein mittelniederdeutscher Druck aus dem Jahre 1507, Bielefeld 1997, 17-23 en passim
    (= Westfälischc Bciträgc zur nicderdeutschen Philologie, 6).
  • 4. Brandenbarg betwijfelt de door Ampe voorgestelde toeschrijving van de Latijnse Legenda sanctae Annae aan Jan van Denemarken; zie de literatuur- en teksthistorische bespreking bij Roolfs (Ibidem).
  • 5. 4. Naast Bors versie is een onafhankelijke anonieme Middelnederlandse vertaling gedeeltelijk bewaard in Brussel, Koninklijke Bibliotheek, hs. IV 383, f. 33r–155r.
  • 6. Colofon van de druk van 1499: “Dit is altesamen overgheset wten latijn in duysch bi broeder wouter bor Catuser tot Monichuysen Ende is gheprint bi mi Peter os van Breda Int iaer ons heren MCCCC ende xcix Op onser vrouwen auent Natiuitas”, f. 175v. Geciteerd bij Hermans, Zwolse boeken voor een markt zonder grenzen 1477-1523, 192 (nr. ZD 127).
  • 7. Voor het onderscheid tussen de relatief integrale anonieme vertaling en de kritisch-selectieve bewerking van Bor, alsmede het oordeel dat Bor naar geest en betekenis dichter bij het Latijn blijft, zie Roolfs' samenvatting van Ampe. – Supra, n. 3.
  • 8. Brandenbarg behandelt de tekst expliciet onder de rubriek “Jan van Denemarken in der Bearbeitung durch Wouter Bor” en bespreekt Bors uitbreidingen van het mirakelbestand. – Supra, n. 2.