2.3 Officiales

Pagina's

Priors

Ten geleide
Over de geschiedenis van de kartuis van Herne in de 14e eeuw is weinig bekend buiten economische verrichtingen. We weten niet eens volledig wie de priors juist waren die het kartuizerklooster hebben bestuurd tot in het begin van de 15e eeuw. Zelfs al zouden we hun namen kennen, dan zijn we nog niet in staat om met exacte zekerheid de opeenvolging van hun prioraten vast te leggen. In dit overzicht van de priors trachten we aan de hand van vier bronnen van eerste en secundaire orde en twee wetenschappelijk beproefde publicaties een ordelijk overzicht van de bestuurders der Hernse kartuis te geven.

De eerste Catalogus priorum bevindt zich in het eerste deel van de Chronica Domus Capellae1, samengesteld door Arnoldus Beeltsens tot 1489 (Chronica). De kroniek van de Hernse kartuis is vooral het werk van twee kartuizers, met name Arnoldus Beeltsens († 1489), die de kroniek bijhield tot aan zijn overlijdensjaar2 en Joannes Ammonius († 1543) die haar voortzette tot het jaar 1534.3 Van de kroniek bestaat een 17e-eeuwse kopie, zijnde KB Brussel, hs. 13753-54, die als basis heeft gediend voor haar uitgave door Edmond Lamalle S.J. († 1989).4 De catalogus bevat de namen van de priors tussen 1314 en 1714. Voor het gedeelte dat Beeltsens heeft geschreven is de priorslijst een saaie opsomming van namen.5 De laatste prior die hij inbracht, was Gaspar Van der Stoct, prior van 1482 tot aan zijn overlijden in 1495.6 Nadien hebben andere handen in de kopie hem aangevuld met meer gedetailleerde biografische gegevens.7

De tweede lijst is een Catalogus chronologicus priorum.8 Deze lijst van de priors sedert de stichting tot 1752 werd waarschijnlijk samengesteld door Bruno Pede (Pede 1), omdat de catalogus zeer sterk aanleunt bij zijn hierna te bespreken Series monachorum waarvan hij voor geen enkel belangrijk gegeven verschilt, en ook omdat de laatse prior die Pede behandelt, met name Amandus Servaes († 1757), prior van 1745 tot 1752, zijn onmiddellijke voorganger als bestuurder van de Hernse kartuis was.9 Pede overleed als voorlaatste prior van Herne in 1765.10

De derde lijst is de Series monachorum professorum et illorum qui prioris munus egerunt vanaf 1314 tot 1762 (128 p.). Deze is het eerste deel van wat men zou kunnen noemen Bruno Pede’s driedelige kroniek, die ook nog een Series conversorum (8 p.) en een overzicht van de Fratres vocati clerici redditi et laici redditi (2 p.) inhoudt (Pede 2). Op het schutblad van dit eind-18e-eeuws handschrift wordt in een titel, die de drie onderdelen omvat, duidelijk verwezen naar zijn samensteller: Hic liber compositus et conscriptus a Venerabili Patre Pedé.11 Dit zou erop kunnen wijzen dat het manuscript een autograaf is. Maar het is wel onvolledig, want de monnikenlijst stopt plots in 1693, zodat het einde verloren is. Het is alleszins een belangrijk document voor verschillende episodes in de geschiedenis van het Hernse kartuizerklooster, zeker vanaf het ogenblik waarop Joannes Ammonius de Chronica Domus Capellae heeft beëindigd. Om een nog andere reden is de Series monachorum merkwaardig: vanuit het oogpunt van de historische kritiek is het eerder een historische studie gebruikmakend van Beeltsens’ en Ammonius’ kroniek, waarin de gegevens chronologisch zijn geordend zoals in kartuizerarchieven gangbaar is, en van andere archivalische en literaire informatie om op deze wijze kleine biografietjes van de monniken tot stand te brengen. Het handschrift is sedert het einde van de 19e eeuw in Herns privébezit. 12

In de zogenaamde Cahiers die Palémon Bastin O.Cart. († 1933) samenstelde met informatie over de Europese kartuizerkloosters uit allerlei archivalische en andere geschreven en gedrukte documenten, zijn er twee gewijd aan de Chartreuse d’Enghein [sic] La Chapelle de Notre Dame (Province de Teutonie), Archives de la Grande Chartreuse, resp. inv. nr. A-5 / 80a en A 5 / 80b. In het eerste cahier bevindt zich een Catalogue des prieurs met gebruikmaking van informatie uit de besluiten van het generale kapittel (Bastin 1).13 In een vooragfaande nota merkt Dom Bastin kritisch op: "J'ai la liste des prieurs, qui se trouve dans ma traduction de la chronique14, et j'ai vu la liste qui est dans la chronique de D. Bruno Pedé, que possède Mr. Ernest Mathieu d'Enghien15; ces listes n'ont guère que des noms, souvent sans dates pour le 14e siècle. Il faudrait pouvoir parcourir soigneusement le cartulaire pour cette époque: ce n'est qu'à partir de 1411, que ces listes deviennent à peu près exactes. J'y ajouterai ce que contiennent les cartes du chapitre général qui nous restent".

De eerste helft van Dom Bastins tweede cahier betreffende Herne behelst een Franse vertaling van de Chronica Domus Capellae.16 De vertaling is nochtans niet van hem, maar zij werd hem op onverklaarbare wijze bezorgd. We laten Dom Bastin zelf aan het woord in zijn bericht tot de lezer. "On m'a prêté de la Grande Chartreuse deux manusctits sur la chartreuse de la Chapelle et des feuilles détachées, sans indication de provenance. A-t-on racheté ces documents ou est-ce un don fait à l'Ordre? Je l'ignore. Le 1er manuscrit qui mesure 0,380 millim. sur 0,260 et dont le carton manque d'un côté ainsi que la première page, me semble être une traduction assez récente (c'est certainement de ce siècle) d'une chronique en latin, je ne sais laquelle, probablement une de celles qui se trouvent à la Bibliothèque de Bourgogne à Bruxelles.17 Le traducteur, probablement un laïque peu au courant des choses de notre Ordre pour avoir voulu sans doute suivre le texte de trop près. Ce n'est ni élégant, ni toujours intelligible. Son français est plus que belge. N'ayant pas de texte latin sous les yeux force m'a été de copier le manuscrit tel qu'il est. Je n'ai fait que quelques changements surtout vers la fin, lorsque le style était par trop insupportable, ayant soin de ne rien changer au sens. J'avoue que le texte latin serait préférable à cette traduction de mince valeur. Je note en marge les pages de l'original. Le traducteur a toujours laissé une page blanche. Le feuillet 157 a disparu". Deze kopie voltooide Dom Bastin tijdens de maanden augustus-september 1895 in de kartuis van La Valsainte. E. Lamalle had geen weet van dit afschrift, maar hij kende wel het handschrift door de inlichtingen die de archivaris van de Grande Chartreuse in Farneta hem in 1924 erover heeft bezorgd.18 Hieruit blijkt dat het nauwelijks om een vertaling gaat, maar dat deze een kunstmatige mengeling van teksten is, en dat de vertaler niet vertrouwd was met de monastieke terminologie.19 Desondanks maakt de Catalogue des prieurs als vanzelfsprekend deel uit van de kroniek in Franse vertaling (Bastin 2).20 In een vooropgestelde nota deelt Dom Bastin mede: "J’ajouterai entre parenthèse les dates données par un autre catalogue, que m’a envoyé le doyen d’Hérines-les-Enghien". De betreffende doyen is pastoor-deken Edouard Van Cauwenberghs († 1909).21 Met die andere catalogus wordt waarschijnlijk de Series monachorum van Bruno Pede bedoeld, waaruit de dateringsgegevens met een zekere interpretatie werden geëxtraheerd.

Resten nog de priorslijsten in twee wetenschappelijke publicaties te melden. De eerste lijst verscheen in een bijdrage van Hendrik Delvaux († 1986) in 1972 aan het bronnenrepertoium Monasticon Belge, waarin hij – overeenkomstig de doelstelling van dit naslagwerk – een overzicht bood van de op dat ogenblik gekende bronnen en literatuur betreffende het Hernse kartuizerklooster. Hij schetste zijn geschiedenis doorheen de opeenvolgende priorschappen (Delvaux).22 Ook hij verwittgt: "Il est impossible d'établir la succession exacte des prieurs de Hérinnes au XIVe siècle. Beeltrisens, Pede, tout comme dom P. Bastin n'y ont pas réussi, car les prieurs n'apparaissent presque jamais dans les actes. ... On ne s'écartera de cette liste que quand les sources permettent d'établir un autre ordre de succession". Voor de chronologische volgorde van de prioraten heeft hij zich voornamelijk gebaseerd op de hierboven beschreven priorslijst van Dom Pede.23

In 1999 hebben de onderzoekers Jan De Grauwe en Francis Timmermans een prosopografie van de Belgische kartuizermonniken gepubliceerd. Een voorname bron van informatie was de uitgave van de algemene kapittelbesluiten (cartae). Alle bewoners (monniken, conversen, donaten, reddieten) werden in de chronologische volgorde van de stichtingen op alfabetische wijze in een biografisch schema geplaatst, gevolgd door een overzicht per jaar waarin elke bewoner heeft gefunctioneerd hetzij als prior, vicarius, procurator of sacrista. Hieruit kan efficiënt de Hernse priorslijst worden gefilterd (De Grauwe/Timmermans).24 — © Frans Hendrickx.

Overzicht volgens verschillende kartuizerlijsten25 [in bewerking]

Chronica
1. Robertus
1313-1317
Pede 1
1. Robertus
1313-1317
Pede 2
1. Robertus
1314-[1317]
Bastin 1
1. Robertus
1314-1317
Bastin 2
1. Robert
1314-1317
Delvaux
1. Robert
1314-[1317]
De Grauwe/Timmermans
1. Robertus de Bray
1314-ca. 1317
Chronica D. Robertus primus prior huius domus.26
Pede 1 D. Robertus, professus domus Vallis S. Petri, primus prior anno 1313. Obiit 17 februarii.27
Pede 2 D. Robertus primus Prior huius Domus primum hic locum obtineat. Is prout scribit Beeltrys professus erat Domus Vallis S(anc)ti Petri. Hic a° 1314, die Martis post S. Nicolaum hyemalem28, munitus litteris commendatitiis Mariae Viduae Gerardi D(omi)ni Angiensis et Gerardi de Sottengien, perrexit Cameracum sollicitaturus consensum Episcopi et Abbatis S. Autberti pro erectione Novae Domus in hoc loco, quorum litteras inde retulit.29 Obiit 17 februarii quo anno Deus scit. Fuit hic Prior per tres annos.30
Bastin 1 131431-1317 — D. Robertus. D. Robert, profès du Val St. Val-St. Pierre [sic], fut prieur 4 ans dit la chronique et est mort le 17 février. Pourrait être le même que D. Robert de Bray, qui fut initiateur de la chartreuse de Gosnay avant 1322 et qui était encore à Gosnay en 1322.32
Bastin 2 (1314 à 1317) D. Robert, 1er prieur de cette maison (ob. 17 février).
Delvaux Robert fut le premier prieur du nouveau couvent des chartreux. Son nom est signalé dans un acte de 1314 ... Jean [Van Meldert] qui, dans un acte du 30 mai 1317 apparaît comme prieur de Hérinnes.33
De Grauwe/Timmermans Robertus de Bray
professus: Val-St-Pierre
prior Herne: 1314-ca 1317
prior Gosnay: 1322- ?
overleden: 17 februari ?34

Verdere info
• Domni Roberti, primi prioris huius domus.35
• Anno igitur M°CCCC°XIII° ... venerunt huc primi patres nostri hanc domum inhabitantes. Venerunt autem de domo Valencarum quae antiquor est domo nostra ... Attamen primus prior huius domus dominus Robertus fuit de domo Vallis Sancti Petri, sicut audivi a quodam converso nostro qui dicebat se hoc in quadam schedula vidisse scriptum ... A principio autem fundationis huius domus fuit hic prior institutus quantum ex omnibus scriptis et litteris potuimus habere; nec usque fit mentio rectoris, nisi forte nomen prioris sit positum loco rectoris in omnibus litteris de primordiis huius domus. Videtur autem quod praefatus dominus Robertus primus prior huius domus non resederit nisi per 4 annos vel circiter. Cuius obitus est 13° kal. martii.36
• ch(arta) 1340. ob(iit) D(ominus) Robertus monachus Vallis S(anc)ti Spiritus, qui habet tric(enarium) per tot(em) ord(inem).37
• Recepte [recette] en l'an M.CCC.XXII premierement pour le chans [champ] e [et] des terres d'auché XXVI muis de blés parmi IX muis que dan Robiers de Brai rechut [reçut] au tans [tant] que il fu [fut] prieur de la maison devant dite.38
• 132 ... à 1322 oct. — Dan Robiers de Brai prieur avant 1322 oct. demeura d'abord au château avec Dans Nicholas.39
• Item pour parfaire un antiphonier que dans Nicolas avoit commenchiet ou [au] tans que il demoura aveukes [avec] dan Robiert prieur ou [au] castel XXI sols.40
• Il est cependant certain qu'il y eut des religieux à Gosnay avant cette dédicace solennelle [de inzegening van klooster en kerk door bisschop Pierre d'Arras op 1 oktober 1324]; en effet nous avons un compte fourni par le prieur du Val Saint Esprit pour la période d'octobre 1322 à janvier 1324.41 [Met verwijzing naar voetnoot:] Peut-être (sûrement) quelques religieux furent-ils logis au château, en attendant que leur résidence fut prête.42 Nous trouvons en effet mentionnées dans le compte dont nous venons de parler, une dépense de 16 sous " pour un antiphonier que don Nicholes avoit commenciet outans que il demeura < avec > don Robiers procureur au castiel" (Arch. depart.).43

Commentaar
...

  • 1. [Lamalle 1932]12-17.
  • 2. Dit wordt door [Lamalle 1932]X, 13 (n. 2) — en in zijn kielzog door andere auteurs (onder meer [PCBR 1999]dl. 1, 26, nr. ChM015) gesteld in 1490 —, daar hij een omrekening heeft gemaakt naar de "nieuwe stijl" volgens de gregoriaanse kalender (zie hierover: Eg. I Strubbe & L. Voet, De chronologie van de middeleeuwen en moderne tijden in de Nederlanden, Brussel 1960 [herdruk: 1991], 48, 84). Omdat zulke omrekeningen niet altijd strikt nauwkeurig zijn, wordt hiervan afgezien en wordt de datering van het brondocument gevolgd. De kroniek verhaalt elders Anno Domini 1489 obiit dominus Arnoldus Beeltsens in februario ([Lamalle 1932]92), in welk jaar ook het generale kapittel zijn overlijden noteerde (PB Enghien 1, beelden 107 en 131). Hij stierf volgens het obituarium (Anniversaria de Ordine [1] meer bepaald op 18 februari (Citekey: Timmermans 2012 niet gevondendl. 1, 57).
  • 3. [Lamalle 1932], IX-XXII (auteurs van de kroniek), XXII-XXIX (bespreking van de kroniek).
  • 4. [Lamalle 1932]XXIX-XXXI, die een gedeeltelijk foutief bewaarnummer noteert 13753-"55". Hiervan berustte een 18e-eeuws afschrift in de BP Mons, hs. 629-630 (olim 231-273) — dat was althans nog de situatie in 1932 ([Lamalle 1932] XXXI-XXXII) —, want de handschriften (en andere kostbare werken) uit de Bibliothèque publique van Mons worden heden bewaard in de centrale universiteistbibliotheek aldaar, waar het desbetreffende manuscript wordt bewaard onder de signatuur 231/273 (R1/C). — Met dank aan mevr. Christine Gobeaux, onderzoeksassistente UB Mons, 5 september 2014).
  • 5. Vanzelfsprekend, want hij moest tot meer dan 160 jaar terugkeren in de tijd, terwijl Joannes Ammonius, de voortzetter van de kroniek, het voordeel had te kunnen schrijven over kartuizers die hij persoonlijk had gekend.
  • 6. [Delvaux 1972a]1443; [PCBR 1999]dl. 1, 31 (nr. ChM067); Citekey: Timmermans 2012 niet gevondendl. 2, 311.
  • 7. [Lamalle 1932]XXX, 13-17.
  • 8. De catalogus, die slechts 8 folia telt, werd besproken en uitgegeven door [Lamalle 1932] resp. XL-XLI en 182-192. Hij wordt heden bewaard in het RA Leuven, Kerkelijk Archief Vlaams-Brabant, Rooms-katholieke kerkelijke instellingen: Kartuis van Herne 1314-1783, inv. nr. 14206 (olim KB Brussel, hs. 18202 / Cat Van den Gheyn, dl. 6, 173, nr. 3862).
  • 9. [Delvaux 1972a]1453, schrijft wellicht bij vergissing — in tegenstellig tot de bronnen — "Serraes", terwijl volgens [Lamalle 1932]192, de voornaam dan weer "Armandus" is; [PCBR 1999]dl. 1, 427, SMM005.
  • 10. [Delvaux 1972a]1453-1454. — De redenen waarom hij na zijn aanstelling de catalogus niet meer heeft voortgezet zouden kunnen zijn dat zijn bestuursambt hem volledig bezighield en misschien ook dat het niet gepast was voor een kartuizer over zichzelf te schrijven.
  • 11. Voor de beschrijving en interpretatie van deze bron, zie [Lamalle 1932]XXIII, XXXIII-XXXVI.
  • 12. [Lamalle 1926]12, heeft het manuscript kunnen consulteren, toen Ernest Matthieu, advocaat in Edingen en auteur van vele artikels in de Annales du Cercle archéologique d’Enghien tussen 1880 en 1922 het in zijn bezit had. Nadien werden “habitants actuels de l’Ancien couvent” de bezitters ([Lamalle 1932]XXXIII), waarschijnlijk de familie Wayembergh die het nog altijd in eigendom heeft. In zijn uitgave van de Chronica Domus Capellae heeft [Lamalle 1932]193-226, uittreksels van de Series monachorum en Series conversorum als appendices gepubliceerd. Zie ook PB Enghien 1, beeld 8, waar Dom Bastin bericht: "Mais une chronique plus importante se trouvait, avant la guerre, chez Mr. E. Mathieu, avocat à Enghien. Elle est plus précieuse parcequelle va jusquà 1760 environ. L'auteur est D. Bruno Pédé, prieur de la Chapelle de 1752 à 1765, sa mort.
  • 13. PB Enghien 1, beelden 16-89.
  • 14. Zie hierna.
  • 15. Zie hierboven.
  • 16. PB Enghien 2, beelden 4-149.
  • 17. Dom Bastin verwijst naar de tweeledige kroniek van Beeltsens en Ammonius: zie PB Enghien 1, beeld 8, waar hij een overzicht van bronnen en werken geeft die hem dienstig waren voor het schrijven van de geschiedenis van het Hernse kartuizerklooster.
  • 18. Op dat ogenblik was de Grande Chartreuse in ballingschap gevestigd in de kartuis van Farneta (Lucca) sedert 1903 tot 1940 (Citekey: Chartreuse 2007 niet gevonden194-200). Heden wordt het manuscript bewaard in de Archives de la Grande Chartreuse, inv. nr. 6 Engh 1 (olim A (V) 231). — Met dank aan Laurent Borne, archivaris Grande Chartreuse, 2 september 2014.
  • 19. [Lamalle 1932]XXXII.
  • 20. PB Enghien 2, beelden 16-22.
  • 21. E. Matthieu, 'Nécrologie : Edouard Van Cauwenberghs', in: Annales du Cercle archéologique d'Enghien 7 (1909-1913), 537-543).
  • 22. [Delvaux 1972a].
  • 23. [Delvaux 1972a]1435 (n. 10).
  • 24. [PCBR 1999]dl. 1, 25-54 (biografische schema’s), 55-130 (chronologische lijst). Reeds eerder publiceerde Jan De Grauwe een alfabetische naamlijst met biografische gegevens: [PCB 1976] en [PCB Suppl. 1978].
  • 25. Jos Bernaer (Herne) stelde me een vergelijkende lijst van de priorsnamen met de data van hun prioraten ter beschikking op basis van de door mij aangewende informatiekanalen. Deze lijst zal me zeer behulpzaam zijn voor de interpretatie van mijn gegevens. Ik ben hem hiervoor en voor vele andere informatie zeer dankbaar. Ook signaleerde hij een kleine lijst van Hernse priors in: [Schwengel 1983b]dl. 2, 267-275.
  • 26. [Lamalle 1932]12.
  • 27. [Lamalle 1932]182. Citekey: Timmermans 2012 niet gevondendl. 1, 56.
  • 28. ...
  • 29. ...
  • 30. Series Monachorum ..., p. [2].
  • 31. Aanvankelijk stond er geschreven: "1317", maar het laatste cijfer werd met het juiste cijfer overschreven.
  • 32. PB Enghien 1, beeld 16.
  • 33. [Delvaux 1972a]1435.
  • 34. [PCBR 1999]dl. 1, 46, 55; dl. 2, 563 (nr. HFM109).
  • 35. Citekey: Timmermans 2012 niet gevondendl. 1, 56 (obituarium).
  • 36. [Lamalle 1932]23-24. Al kwamen de eerste monniken uit de oudere naburige Noord-Franse kartuizerkloosters van Valenciennes (1288), Saint-Omer (1298) en Noyon (1308), Robertus liet men overkomen uit de kartuis van Notre-Dame du Val-Saint-Pierre (1140) naar het te stichten kartuizerklooster te Herne. De kroniekschrijver van de Hernse kartuis merkt op dat wanneer tot nog toe bij het begin van een stichting de benaming rector werd gebruikt, dit nu niet het geval is omdat in de oudste documernten aangaande dit huis deze benaming werd vervangen door die van prior, met name in de akte waarin de nieuwe stichting door bisschop Pierre de Cambrai op 11 december 1313 werd geconfirmeerd. Robertus werd dus in deze functie aangewezen alvorens de oprichting van het eerste kartuizerklooster een volledig officieel feit was, nadat de bisschop van Kamerijk op 5 oktober 1314 ermee had ingestemd om missen te celebreren en officies te houden en nadat hij op 27 september 1315 zijn uiteindelijke approbatie had gegeven dewelke gepaard ging met de aanleg van een begraafplaats. — Zie [Lamalle 1932]172-173, 177-178; [Delvaux 1972a]1434-1435.
  • 37. Necrologium Domus Monachorum Gosnay (Ex chartis capituli generalis), in: PB Gosnay 2a, beeld 116.
  • 38. Comptes des recettes et depenses rendu par le prieur dudit couvent 1322-1323 (Archives d'Arras, H. 3 fol. in 4° parch.), in: PB Gosnay 2b, beeld 128 (en beeld 130 met betrekking tot een andere financiële verrichting: dan Robiert de Brai). — De bedoelde archiefstukken worden bewaard te Arras, Les Archives de Pas-de-Calais, Archives anciennes, série H (Clergé régulier), inv. nr. 29 H: Chartreuse du Val-Saint-Esprit de Gosnay (1277-1778). — Met auché wordt de plaats Auchy (bij Lillers) bedoeld waar de kartuizers bij de stichting van Gosnay in 1320 uit een donatie van cent livrées de terre gronden kregen toebedeeld ( PB Gosnay 2a, beeld 166; zie ook PB Gosnay 2a, beelden 158 en 160). — Muis is een inhoudsmaat van droge waren zoals granen (in het Mnlds.: mudde): zie https://archive.org/stream/dictionnairehist07sainuoft#page/448/mode/2up. — Dan, Dans, Dant wordt In algemene zin geplaatst vóór de naam van een waardigheidsbekleder, hier in de betekenis van dom: zie https://archive.org/stream/dictionnairedela02godeuoft#page/417/mode/1up.
  • 39. Volgens een Liste des Prieurs opgemaakt uit het cartularium, uit de aantekeningen van de historicus Roger Rodière (Montreuil-sur-Mer, † 1944) in andere archieven, alsook uit allerlei notities verzameld door de oratoriaan Auguste-Marie-Pierre Ingold, ook genaamd Abbé Ingold († 1923): zie PB Gosnay 2b, beeld 236. Daar staat Dant Jehan slechts als derde prior vermeld op datum van 8 november 1323 (zie ook hierboven). — Over het verblijf in het Kasteel van Gosnay, zie hieronder.
  • 40. PB Gosnay 2b, beeld 130.
  • 41. PB Gosnay 2a, beeld 168.
  • 42. "Le couvent fut bâti dans un verger clos de murailles situé devant le château de Gosnay", leest men bij PB Gosnay 2a, beeld 166. — Over het Kasteel van Gosnay, zie PB Gosnay2a, beelden 158-166.
  • 43. In de Liste des Procureurs, opgemaakt met dezelfde documenten waarmee de Liste des Prieurs werd samengesteld (zie hierboven), wordt zijn naam in deze functie evenwel niet aangetroffen: zie PB Gosnay 2b, beeld 239.

Pagina's